Reizen door Frankrijk, door Adriaan van der Willigen

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net

REIZEN DOOR FRANKRIJK, IN GEMEENZAME BRIEVEN, DOOR ADRIAAN van der WILLIGEN

Parijs, 1 Decemb. 1804.

Gij vraagt, Vriend! of ik ‘er iets tegen heb, dat gij mijne Brieven, over een groot gedeelte van Frankrijk, drukt en uitgeeft, met achterlating van eenige bijzonderheden, ons aangaande, en welke voor het algemeen van geen belang zijn; terwijl gij denkt dat dezelve onze
Landgenooten aangenaam en zelfs nuttig kunnen wezen? en mijn antwoord
op deze vraag is: Ik heb ‘er niets tegen. De beöordeeling, waartoe
een ieder door het in druk uitgeven van een werk regt krijgt, kan ik
te geruster afwachten, daar ik mij op hetzelve niets laat voorstaan,
maar het geef, voor het geen het is, te weten, voor eenvoudige
aanteekeningen, van het geen ik gezien, daarvan gehoord, ‘er over
gelezen, en ‘er somtijds bij gedacht heb. Echtheid en naauwkeurigheid,
als de voorname vereischtens van een reisverhaal, heb ik altijd
in het oog gehouden. Hier van althans ben ik verzekerd, dat zij,
die dezelfde reis doen, en deze aanteekeningen als een Itineraire
willen gebruiken, zullen overtuigd worden.

Ik voeg hierbij nog Iets voor Reizigers, bijzonder in
Frankrijk. Dit kunt gij voor of achter plaatsen, zoo als gij
best oordeelt.–Vaarwel!

A.v.d.W.

REIZE DOOR FRANKRIJK. EERSTE BRIEF.

Dyon den 20 Julij 1804.

Aan de dagteekening van den Brief ziet gij, Vriend! dat ik op reis
ben. Maandag den 14. dezer vertrok ik van Parijs; en dus daags na
het feest van den 14. Julij, dat dit jaar den 15. gevierd is. Ik had
mij daarom nog al opgehouden, maar vond het voor mij, behalve het
vuurwerk, dat nog al fraai was, die moeite niet waardig. Wij reden
‘s morgens om vier uren af, met den gewonen Postwagen, die van hier
op Geneve rijdt, en waarop wij plaats genomen hadden tot Dyon. De
plaats, binnen in, kost 63 livres de persoon, en voor mijn koffer, die
ruim 100 ponden woeg, betaalde ik £ 13; men rekende tegens £ 25–het
centenaar; doch de koffer voor twee personen zijnde, trok men ‘er de
25 lb die ieder vrij had, en dus 50 af. Van Charenton en Alfort,
daar wij door reden, heb ik u in een van mijne vorige al gesproken. Te
Lieursaint [1], 4 posten van Parijs, daar wij ontbeten, niet met
een boterham en een kopje thee of koffij, maar met vleesch, eijeren en
wijn, begonnen onze reizigers zoo wat kennis met elkanderen te maken;
en ik bespeurde toen, dat wij met een’ Priester, met een’ Rentenier
van Dyon, met een Wijnkooper van Beaune, een andere van Maçon,
en nog een vijfde persoon van den kant van Geneve, op reis waren. In
Holland zou men dat al lang geweten hebben; want naauwlijks heeft
men daar een’ voet in de trekschuit of op den postwagen gezet, of er
word gevraagd: “Waar komt mijn Heer van daan? waar gaat mijn Heer na
toe? wat doet mijn Heer? is UEd. getrouwd? en eindelijk zelfs somtijds,
hoe is mijn Heer’s naam?” Diergelijke onbescheiden vraagen treft men
onder de Franschen zeldzaam aan, en men wacht doorgaans, tot dat de
lieden zich zelve bekend maken. Nu werden wij wat gemeenzamer onder
elkanderen, het gesprek liep natuurlijk over het Feest, dat den vorigen
dag in de Hoofdstad was gevierd, en hier door werden de staatkundige
gevoelens eenigzins ontwikkeld, de wijnkooper van Beaune, dat een
goede ronde kaerel scheen, en mijns bedunkens, met regt den naam van
Franc Bourguignon [2] verdiende, kwam er onbewimpeld vooruit, dat
hij de Koninklijke regeering, welke voor de omwenteling in Frankrijk
plaats, beter vond dan het tegenwoordig Gouvernement. Hij sprak van
de staten der Provintien, van de voorrechten, enz. de Priester gaf
wel te kennen, dat hij het hieromtrent met hem eens was, doch liet
er zich zoo regelregt niet over uit. De Rentenier van Dyon scheen
meêr een Volksbestuur toegedaan; deze waren de voorname sprekers,
de overigen voegden ‘er nu en dan een woordje bij. Ik heb algemeen
opgemerkt, dat de Koningsgezinden onder anderen zeer verbitterd zijn
tegen Keizer Napoléon, om dat hij de Hertog van Enghien heeft laten
ter dood brengen. Zij veroorloven zich ten dezen opzigte de hoonendste
uitdrukkingen tegens hem, die zij dan nog al door een woordspeling
(calembour) zoeken te bewimpelen, zoo als deze, welke iemand van
ons gezelschap te berde bragt: “Iemand zeide, dat het afbeeldsel
van de Keizer der Franschen, dat men op de geldspecie ziet, niet
gelijkende Was; gevraagd zijnde waarom, antwoordde hij, parceque
le nez est pointu et c’est un nez rond.” (Néron). Was deze ter
dood veroordeelde geen voornaam hoofd van hunne partij geweest, zij
zouden ‘er misschien niets op hebben aantemerken. De Franschen,
en vooral de Parijzenaars, zijn liefhebbers van calembours;
men vind verscheidene boekjes, die daarmede zijn opgevuld. Vele
jongelieden leren die van buiten, en met diergelijke meestal laffe
aardigheden, pronkt men in de zoogenaamde bonne Societé. Anderen,
die er meêr op gevat zijn, maken van alle gelegenheden gebruik om
woordspelingen voor den dag te brengen, hoe weinig die dikwijls ook
voegen. Men ontziet geene zaken hoe achtingwaardig, of personen, van
wat rang zij ook zijn mogen, zoo hoorde ik eenigen tijd geleden, kort
na dat de broeders en zusters des Keizers Napoléon, tot Rijksvorsten
verheven waren, te Parijs door de nieuwsbladverkopers (colporteurs)
langs de straten roepen: “Voici etc. avec les noms et les demeures de
tous les Princes et Princesses à deux sous;” een winderig heertje,
die daar voorbij kwam, zeî op een’ spotachtigen toon tegen den
uitventer: “Voyons ce qui c’est que vos princes et princesses à deux
sous.” Sommigen lagchten hier om, anderen namen het misschien kwalijk;
hoe ligt had iemand tot de politie behoorende hier omtrent kunnen zijn,
onze grappemaaker zou dan zekerlijk voor zijn spotternij hebben moeten
boeten, en wie zou hem beklagen.

Omstreeks één uur kwamen wij te Melun, 5 1/2 post van Parijs. De
Postwagen, vertoefde hier om het middagmaal te houden, en ik,
nog geen honger hebbende, daar wij laat hadden ontbeten, besteedde
dien tijd met het plaatsje te zien. Dit stadje de hoofdplaats van
het Departement de Seine et Marne [3], is in eene bekoorlijke
landsdouw aan de oevers van de Seine zeer aangenaam gelegen; die
rivier verdeelt hetzelve in drie deelen, die door twee steenen bruggen
vereenigd worden; de bijgaande afteekening zal u hier een duidelijk
denkbeeld van geeven. Verscheidene Koningen hebben te Melun hun
verblijf gehouden, hun paleis was op de punt van het Eiland dat gij
tusschen de twee bruggen ziet. Het is een der oudste steden van de
Gaulen. Caesar maakt er gewag van in zijne gedenkschriften. Het
is ook in de geschiedenis bekend, door eene belegering van de
Engelschen tegen die stad, welke plaats had in de vijftiende
eeuw, en die de belegerden, met eene schier ongelovelijken moed,
zes maanden uithielden. De geleerde Jacques Amiot, Bisschop van
Auxerre en vertaler van de Doorluchtige Mannen van Plutarchus,
enz. werd hier geboren. De voorname handel is in granen, meel,
wijn, kaas, kalk en gebakke steenen; die waren worden veel al de
Seine af naar Parijs vervoerd. De groote weg, die hier doorloopt,
maakt het vrij levendig; ‘er vaart ook een schuit (coche d’eau)
van hier naar Parijs heen en weder. In het terugkomen word zij
met paarden tegen den stroom opgetrokken. Van de Mammelukken,
die met Bonaparte uit Egypte kwamen, lagen er hier omtrent 150 in
guarnisoen, naar men ons verhaalde. De inwooners waren ‘er niet wel
over te vreden, en zeide ons, dat het veeläl slecht kwaadaartig volk
was; wij zagen ‘er eenigen van langs de straat loopen. Hunne Oostersche
kleeding maakte in dit plaatsje, waar men alles behalven Oostersche
pracht ziet, een wonderlijk afstekende vertooning. De aanhoudende
schoone landstreek en de fraaije gezigten die men geduurig aantreft,
vermaakten mij niet weinig. De Seine en Yonne vereenigen zich voor
Montereau. Men komt over een fraaije brug in het stadje. Deze brug
is in de geschiedenis bekend: de Hertog van Bourgondiën kwam in het
jaar 1409 op dezelve, om zich met Karel den VII, die toen Dauphin van
Frankrijk was, te verzoenen, en werd door de Offiçieren van dien
Vorst vermoord [4]. Onze reisgezel, de Rentenier van Dyon, die
nog al ervaren scheen in de geschiedenis deed mij dit een en ander
opmerken. Dit stadje ziet er welvarende uit en is alleraangenaamst
gelegen; even buiten hetzelve langs de boorden van de Yonne is
eene fraaije algemeene wandelplaats. De ruime gezigten en bekoorlijke
tooneelen die de natuur hier oplevert, houden den opmerkzamen reiziger
hier aanhoudend op de aangenaamste wijze bezig.

Share